woensdag 22 april 2015

Flarden (1)

Vanachter haar ordentelijk bureau glimlacht ze naar ons. Wanneer je niet beter zou weten dan zou het een vriendelijke glimlach zijn. Zo eentje die je welkom heet of op je gemak stelt.
Nu lag er iets van medeleven in besloten en eigenlijk wist ik het al voordat ze het uitsprak: “Ik heb geen goed nieuws.”
Nog altijd die glimlach, maar nu verontschuldigend: “Het is borstkanker.”
Doorheen Monique’s “Oh God, nee” galmt mijn “Godverdomme.”
Ze grijpt mijn hand en knijpt om er zo hard in dat het me terugslingert naar de verloskamer. Zelfde ziekenhuis, vier jaar eerder.
 “En nu? Wat gaan we er aan doen?” vraagt Monique door haar tranen heen.
Een borstbesparende operatie gevolgd door een aantal weken dagelijks bestraald te worden blijkt een effectieve aanpak.
“Wellicht nog een chemo kuur, maar dat bespreken we in de teamvergadering,” en ze legt ons uit dat chirurgen, radiologen en verpleegkundigen elke maandagavond de patiënten bespreken.
We zijn verdomme een onderwerp in de volgende vergadering, flitst het door me heen.
Er volgt een technisch relaas over hoe moeilijk de tumor te lokaliseren is en hoe de chirurg dat gaat doen, voor en tijdens de operatie.
Wanneer we over de parkeerplaats naar de auto lopen zijn we een angst en een afspraak rijker: al over twee weken wordt de operatie uitgevoerd.

Zwijgend rijden we naar huis. Het is niet nodig om iets te zeggen; de tijd dat er ongemakkelijke stiltes vallen zijn we lang geleden ontgroeid. We delen dezelfde gedachten en angsten en weten dat, alleen door bij elkaar te zijn.
Met een diepe zucht stappen we uit de auto. Thuis zitten mijn ouders – die vandaag als oppas fungeren – in spanning te wachten. Mijn vader, amper een jaar klaar met zijn chemo.
Hoe gaan we het aan haar moeder, die een tiental jaren geleden door dezelfde Godvergeten ziekte weduwe werd, vertellen?
De kinderen… Hoe in hemelsnaam leg je aan je kinderen van vier en elf uit wat er aan de hand is?
Er wordt geknuffeld en er wordt gehuild. Bemoedigend denken wordt hardop gedeeld; goed bedoeld, maar ik kan er nu zo weinig mee.
“Mam? Ga je nu dood?” Kanker heeft nu eenmaal in zijn jonge leven al een paar keer verwoestend toegeslagen.

Net als we na een paar dagen aan het idee lijken te wennen bellen ze van het ziekenhuis: omdat de chirurg meer duidelijkheid over de omvang en locatie van de boosdoener wil heeft men toch besloten nog een MRI scan te maken.
“Schikt het morgen, om half elf?”

Volgende deel lezen?

donderdag 16 april 2015

De zoon

Geërgerd veegt hij met een woest gebaar een doek over het kleine tafeltje dat onder het raam van zijn hotelkamer staat. De lange lok die zijn gevorderde kaalheid moet verhullen valt voor zijn ogen en een koffiekopje valt op de vloer. Daar wordt het opgevangen door het zachte tapijt waardoor het niet stuk gaat.
Hij vloekt binnensmonds: "Hoe kan ik zo werken?"
Driftig boent hij de ronde afdruk welke het zojuist gevallen kopje heeft achtergelaten op de tafel weg, zoals hij het zijn moeder zo vaak had zien doen. Zijn oude moeder, die tot het laatste moment van haar mopperige leven teleurgesteld werd door haar zoon: een sloddervos die nooit iets bereikt had in het leven, vond ze. Hij raakte dan ook vastbesloten haar te laten zien dat hij wel netjes kon zijn en zeker in staat was om iets – wat dan ook – te bereiken.
“Een opgeruimd huis is een opgeruimd hoofd,” pleegde ze vaak te zeggen. Hij probeerde haar gedachtegoed nu zo goed mogelijk in stand te houden, hetgeen hem goed afging, al was er niemand die hem dat vertelde. Eigenlijk had hij daarmee ook iets bereikt, maar dat ervoer hij niet zo. Nee, hij wilde nog ergens naam in maken, iemand zíjn, maar wie? En uiteindelijk lag het zo voor de hand dat hij er eerst voorbij had gekeken.
Het was tijdens het opruimen van moeders kamer dat hij haar boekenkast leeg ruimde en in dozen stopte. Haar hele leven had ze boeken verslonden en plots wist hij wat hem te doen stond: hij zou er ook één schrijven! Hij zou eraan beginnen en het tot het eind volhouden, in de geest van zijn moeder die zelfs nu ze uit de tijd was weggegaan nog tegen hem leek te mopperen. Tenminste, zo af en toe verbeelde hij zich toch echt haar stem nog te horen.

De weken na dit besluit tuurde hij uren naar het maagdelijk witte papier dat hem in de boekhandel zo uitnodigend toeschreeuwde, maar eenmaal op zijn tafel leek te zijn verstomd.
De eerste zin is de belangrijkste, zo had hij ergens gelezen en dus meende hij hieraan veel aandacht te moeten besteden, maar telkens leek het hem niet goed genoeg. De ene keer waren het te veel woorden, dan weer was een zin veel te kort. Nietszeggend of alles onthullend. Inspiratieloos, dat was het: inspiratieloos en het woord zou hem niet meer loslaten.
Z’n hele leven had hij gewoond in het opgeruimde huis aan de stille straat in het dorp waar nooit iets gebeurde. Inspiratieloos stond synoniem voor zijn leven en hij zou op zoek moeten naar bezielende ingevingen. Hij besloot na enig nadenken dat hij daarvoor op reis moest. Weg van het nette huis, ver weg van deze buurt. En zo vertrok hij, op ik geloof dat het een donderdagochtend was. Hij trok eenvoudigweg de deur achter zich dicht, stapte in zijn auto en vertrok.

Het eerste hotelletje waar hij een kamer nam, was ergens in de vorige eeuw gebouwd in een klein dorpje aan de kust. Vanaf zijn kamer zag je tussen de bomen door nog net de Noordzee, die met witte, schuimende koppen op het strand aanstormde. Na een lange wandeling kon je even op adem komen in een van de restaurants waar ze voortreffelijke visgerechten met uitstekende wijnen serveerden en waar de bediening nog wist wat het woord ‘gastvrij’ betekende. Je kon er in alle rust, verzonken in je eigen gedachten, over de zee staren tot aan de horizon en met een beetje fantasie keek je zelfs nog verder, voorbij de einder. Je kon stiekem luisteren naar de conversaties van andere gasten aan de belendende tafeltjes. Gesprekken die het leven en de liefde als onderwerp hadden.
Maar hij bleef op zijn kamertje met uitzicht, zwoegend op die ene eerste zin.
Het was zojuist, toen hij het bureaublad schoonmaakte, dat er iets borrelde en hij voelde dat hij op het punt stond nu, na alle pogingen, eindelijk iets magistraals te schrijven. Het zou die ene zin zijn, die paar verzamelde woorden die het begin van de rest van zijn leven zouden moeten inluiden. En oh, wat zou zijn moeder trots op hem zijn geweest.
Behalve zijn schrijfblok en een pen is zijn bureau leeg. Geen memobriefje met daarop in een haastig handschrift onverwachte ingevingen, bang ze te vergeten. Geen paperclipje, potlood of gummetje. Geen tabaksresten, de laatste koffiekring weg gepoetst. Nu kan hij werken en hij laat zich op het oude stoeltje ploffen dat met veel gepiep en gekraak zijn gewicht opvangt. Hij haakt zijn vingers in elkaar alsof hij een gebed wil doen, maar beweegt zijn handpalmen van elkaar af. Een luidde ‘knak!’ van zijn vingerkootjes bezorgt hem dat bevrijdende gevoel waarna zijn linkerhand met liefde, teder bijna, de pen opneemt. Een luidde bons op de deur belet hem om de punt van de pen op het papier te drukken. Verstoord kijkt hij op.
“Huishouding,” klinkt een opgewekte vrouwenstem.
Hij staat op, zo wild dat zijn stoel achterover valt en hij baant zich met grote passen een weg naar de deur om deze te openen.
“Uw kleren meneer,” zegt ze vriendelijk terwijl ze hem de klerenhanger aanbiedt met daarop in plastic verpakt zijn gereinigde kostuum. Hij grist ze uit haar handen en sluit zonder een blijk van dank de deur, zich de moeite besparend dit zachter te laten klinken dan zou kunnen, maar het is al te laat: zijn inspiratie is door de open deur weggewandeld en hoe lang hij ook nog naar het papier staart, het komt niet meer terug. En zo besluit hij om verder te reizen.

Al na een kwartiertje rijden doet niets in de omgeving nog vermoeden dat de kust dichtbij is.
Het boomloze landschap van hoge duinen en zand op de straten verdween uit zijn binnenspiegel terwijl het saaie, grijze asfalt zich voor hem uitstrekte. Hij vraagt zich niet af waar naartoe; weet alleen maar het waarom van zijn reis en rijdt vastberaden naar het oosten, waar hij zich wil verstoppen in de bossen en absolute stilte, om zich te wijden aan die ene, alles bepalende zin. Het begin.
Hij reist door steden en langs dorpen waarvan hij nog nooit de naam hoorde terwijl een veranderend landschap aan zijn autoramen voorbij glijdt, zijn blik naar voren gericht. Hij stopt na ongeveer twee uren te hebben geluisterd naar niets anders dan het monotone zoemen van zijn wielen. Het is bij een klein hotel met een lege, door oude eiken omzoomde parkeerplaats.
Het gebouw lijkt er altijd te hebben gestaan, al weet hij dat niet zeker omdat hij er nooit eerder is geweest. Tevreden kijkt hij om zich heen, terwijl de wind het blad van de eiken zachtjes doet ruisen en in de verte het gehamer van een specht klinkt.
De hotelier – een oude en kleurloze man die zijn beste jaren al een tijdje achter zich heeft – wijst hem z’n kamer. Het is op de tweede verdieping aan de achterzijde van het gebouw.
Aan de linkerzijde, in het midden tegen de muur, staan twee door een nachtkastje van elkaar gescheiden eenpersoonsbedden. Er tegenover staan een klein bureautje en een stoel. De van licht eikenfineer gemaakte lambrisering vertoont groezelige vlekken: afdrukken van te ruste gelegde hoofden en graaiende handen, maar het beddengoed is schoon en de toiletruimte ruikt naar een fris schoonmaakmiddel.
Op de blauwe vloerbedekking naast het bed tekent zich een roestkleurige vlek af. Er is duidelijk op gepoetst en geboend in een poging deze te doen verdwijnen, hetgeen heeft geresulteerd in een vage, maar in omvang grotere vlek dan oorspronkelijk. Hij kijkt er net lang genoeg naar om het de gastheer te doen opvallen.
“We kregen het er niet helemaal uit,” verontschuldigt de man zich en zijn stem klinkt bijna samenzweerderig als hij verder vertelt: “Er is op deze kamer een man vermoord. Door een jaloerse vrouw,” voegt hij eraan toe.
“Zo?” zegt hij omdat hij verder niets weet te zeggen.
Wanneer je het de hotelier zou vragen dan zou hij je vertellen dat er een ongemakkelijke stilte volgde. De beide mannen staan er wat verloren bij op die hotelkamer met z’n geschiedenis en uiteindelijk is het de gastheer die de stilte verbreekt: “Misschien wilt u liever een andere kamer, bij nader inzien?”
Hij mompelt: “Ja," zo onduidelijk dat je het zelfs als je dicht bij hem stond niet kon verstaan. Het is het langzaam knikken van zijn hoofd dat ervoor zorgt dat de oude man hem begrijpt en voorgaat naar de naastgelegen kamer. Nadat hij deze deur had geopend en hem de sleutel heeft gegeven laat hij hem alleen achter op de kamer die, op de roestkleurige vlek in het tapijt na, identiek is aan de eerste.

Tevreden kijkt hij uit het raam. Onder hem doen de kleurige parasols van het terras hem denken aan een lappendeken. Zo één waar zijn moeder hem vroeger in verpakte als hij zich ziek voelde, en een vreemd gevoel van missen welt in hem op. Nee, niet nu, dwingt hij zichzelf en hij probeert zijn aandacht op iets anders te richten. Op de bosrand in de verte waarachter een oudheid schuilgaat. De blauwe lucht erboven waar vliegtuigen als zilveren pennen op hemelsblauw papier witte strepen trekken. Op de stilte die door het open raam doordringt tot in alle hoeken van zijn verblijf.
En zo, aan zijn tafeltje met daarop zijn schrijfpapier, een pen en een sandwich die hij zojuist heeft gekocht, wacht hij op wat er komt. Want dat er een ingeving gaat komen, daarvan is hij overtuigd. In de verte kucht iemand, terwijl hij langzaam kauwt op een hap van zijn broodje. De liefde waarmee zijn snack is klaargemaakt, de overdaad aan eerlijke en verse ingrediënten ontgaan hem. Zou iemand hem al hebben kunnen wijzen op de pure smaak van de biologische kaas of het heerlijk verse tomaatje, dan nog zou hij onverschillig zijn schouders hebben opgehaald. Hij heeft immers alleen maar honger en dus is elk broodje goed genoeg.
Gedachteloos bijna veegt hij de kruimels van zijn witte vel papier dat voor hem op het tafeltje ligt, de pen in zijn knoestige hand. Klaar om te kunnen reageren op die plotselinge inval.

Het is laat die dag als hij na weer een onvruchtbare middag zich realiseert dat hij na het broodje van vanmiddag niets meer heeft gegeten of gedronken. Hij besluit – omdat het met het schrijven toch nog niet wil lukken – om in het hotel te dineren. Beneden is het echter stil. De receptie is verlaten en in het – wat later de ontbijtzaal blijkt te zijn – restaurant is de verlichting reeds uit. De oude eigenaar geniet buiten van het laatste restje zon van die dag, nippend aan een beslagen glas gevuld met helder, koel bier.
“Eten?” vraagt de man verwonderd. “Nee, alleen ontbijt meneer. Voor een warme maaltijd, tja… daarvoor moet u naar het dorp.”Het was niet eens door wat de man zei. Niet zijn exacte woorden, maar misschien meer door de manier waarop hij ze uitsprak, dat hij plotseling vanuit een bijna niets wist hoe zijn begin zou zijn. Met een ruk draait hij zich om en loopt terug het gebouw in. Schoorvoetend eerst, maar hij versnelt zijn pas en voorbij de balie zou je gezegd hebben dat hij aan het hardlopen was.
Hij sprint de trap op, omhoog terug naar zijn kamer, maar in zijn haast verstapt hij zich. De bal van zijn voet balanceert enkele seconden op de afgeronde rand van de laatste tree en glijdt er dan vanaf. Hij verliest ondanks het wilde maaien van zijn armen zijn evenwicht en slaat met een ijselijke kreet, die door het hele hotel te horen is, achterover en stort tree voor tree helemaal naar beneden waar de marmeren vloer geen mededogen kent.

Een wit velletje papier wordt door een windvlaag opgetild, om na een seconden durende tocht op het zachte tapijt neer te komen, juist wanneer de zwarte limousine het terrein verlaat.

donderdag 30 oktober 2014

Wat Wad

Terwijl aan de horizon het eiland langzaam verandert in een dun, grillig streepje waarop nog net de contouren van de vuurtoren en de duinen waarneembaar zijn, dreigt de zon langzaam en sissend in de zee te verdwijnen.
Een zeemeeuw leunt krijsend op de wind die nu, terwijl de zon aan kracht inboet en zich gaat opladen voor een nieuwe dag, koel aanvoelt.
De boot is afgeladen vol; ongelukkigen wier vakantie alweer voorbij is, dagjesmensen, een hele school, lijkt het; Duits sprekend.
Naast mij klinken in onvervalst Gronings de sterke verhalen over een trekker-trekwedstrijd, Pk’s, motorinhoud en sleepvermogen.
Een verliefd stelletje staart over de zee, hand in hand verbonden met elkaar en toch met elk hun eigen gedachten.
Een bejaard echtpaar. Zij met het hoofd iets in de nek alsof ze zich door de wind laat strelen.
Rechte rijen auto’s, ordelijk opgesteld op het dek er onder en fietsen kriskras eromheen.
De geur van diesel die zich vermengt met de zilte lucht van het wad. De heldere schaterlach van een kind. En hij.

Zijn lange zwarte haren met daarin aan de rechterzijde één lok grijs geverfd – of misschien is het grijs de originele kleur en is het zwart eraan toegevoegd? – wapperen rond zijn hoofd, de jonge kaalheid onthullend.
Hij staat zo ver mogelijk naar voren op het dek, de beide handen aan de reling en de blik strak op de verte gericht zonder ergens in het bijzonder naar te kijken.
De enorme ster die rond zijn elle boog is getatoeëerd is de meest opvallende van een hele verzameling. Ik vraag me af wat de symboliek zou kunnen zijn; de ster in combinatie met de elle boog. Wellicht is het de diep zwarte kleur die het maakt dat ik me er iets sinisters bij voorstel.
Dan, als hij klaarblijkelijk heeft besloten dat hij genoeg heeft gezien draait hij zijn kolossale lichaam verbazend soepel om en is de tekst op zijn zwarte T-shirt leesbaar.
In witte letters staat er onder elkaar geschreven: ‘Remember me’.
Er boven een nog jong gezicht half bedekt onder een vakantiebaard die alle kanten op lijkt te willen groeien en een blinkende piercing door de onderlip.
De norse gelaatsuitdrukking breekt en lijkt in stukjes van hem af te vallen wanneer hij haar langgerekte ‘Papa’ hoort en hij hurkt om het kleine, blonde ding in de armen te vangen.

dinsdag 24 juni 2014

Te kort samen

Regendruppels spatten uiteen op het raam en kronkelen in kleine stroompjes naar beneden om daar doelloos te verworden tot een niets.
Als ze voorbij de druppels kijkt ziet ze hoe de herfst bezit neemt van de bomen: het bladerdek kleurt van verbleekt groen tot geel en verschillende tinten rood. De lucht erboven is grauwgrijs en voorspelt nog meer regen. Ze zucht, zich er van bewust dat dit haar laatste herfst zal zijn.

Na een tijdje met vage klachten te hebben rondgelopen werd een half jaar geleden haar vonnis geveld. Er was weinig meer aan te doen, behalve het laatste restje van wat er van haar leven over was zo aangenaam en gemakkelijk mogelijk te maken. Goede verzorging, de pijn bestrijden en zo veel mogelijk tijd met haar jonge gezinnetje door brengen.
Maar de laatste weken werd het snel slechter en de dosis pijnstillers die ze nu kreeg was inmiddels zo hoog, dat ze in een coma zou raken als de hoeveelheid verder opgevoerd zou worden. En nog liet de pijn haar niet met rust. 
“Ik kan niet meer”, had ze twee dagen geleden gefluisterd en ze wisten wat dit betekende. 
Hij had niet gevraagd of ze het zeker wist. Ze hadden het toen, een half jaar geleden al zo afgesproken. En nu was dat moment daar. Vier korte woordjes: ik kan niet meer.
Ze stond nu voor de zwaarste beproeving van haar nog jonge leven.

Op de gang klinkt een opgewekt kinderstemmetje. Zijn kleine handje in de grote sterke hand van zijn vader en de andere hand omklemt een tekening. Die heeft hij op school mogen maken, voor mama.
Juf heeft ‘m opgerold en er een glimmend rood lint omheen gestrikt. 
“En geef mama er maar een dikke zoen bij.” Er rolde een traan over haar wang toen ze het zei. 
“Waarom huil je nou juf?” vroeg hij maar ze had haar hoofd afgewend: “Ga nu maar.” Verder niets. Alleen “Ga nu maar."

Ze draait haar hoofd naar de deur om de stemmen op de gang beter te kunnen horen. Duidelijk is de kinderstem van haar kleine vent te horen. Opgewekt en vrolijk onbezorgd klets hij honderduit. En zijn voetstapjes: precies telkens één meer dan zijn vader die naast hem loopt. 
Zijn heldere stem klinkt dichterbij en dan steekt hij zijn blonde hoofdje om de hoek van de deur. Een lang gerekt “Mamaaaaaa” klinkt door haar kamer.

Van iedereen die er in haar leven toe doet heeft ze gisteren afscheid genomen, als laatste gisteravond haar vriendinnen. Cécile nam de wijn mee - alcohol vrije uiteraard - en Anita had voor de hapjes gezorgd. Een echte meidenavond was het geworden en ze hadden geproost op het leven. 
“Letten jullie een beetje op Walter en Remco?”, had ze gevraagd. Het was het moment geweest waarop ze beseften hoe onvermijdelijk en definitief haar dag van morgen zou zijn. 

“Kom je bij mama zitten?”, vraagt ze terwijl ze met haar hand zwakjes op het vrije plekje van haar bed klopt en Remco klautert via een bijgeschoven stoel op het hoge bed van zijn moeder. 
“Ik heb een tekening voor je gemaakt”, zegt hij trots en hij haalt het rode lint er vanaf. Dan verandert de uitdrukking op zijn onschuldige gezichtje. Hij kijkt bezorgd.
“Mam? Papa zegt dat je vandaag op reis gaat en dat je zo ver weg gaat dat wij niet mee kunnen?”
Ze haalt haar neus op en laat met een diepe zucht de ingeademde lucht ontsnappen terwijl ze haar dunne arm om de schouders van het kereltje slaat.

Ze hadden er vaak over gesproken, Walter en zij. Over hoe je een kind, jóuw kind uitlegt dat je ongeneeslijk ziek bent en wat ‘dood’ betekend. Dat dood definitief en voor altijd is, onomkeerbaar. Samen hadden ze er met hun zoon over gesproken in een poging hem op het onvermijdelijke voor te bereiden, maar hoe bereid je een kind voor op het naderende einde van zijn moeder? En alle keren dat ze er over spraken sneed het besef dat ze haar kind niet zou zien opgroeien als een mes door haar ziel. 
Met Walter sprak ze over zijn jonge leven. Over de ouderavonden die nog gingen komen en zijn rapporten van school. Het wisselen van zijn melkgebitje. Zijn eerste vriendinnetje, de eerste keer liefdesverdriet, andere pijnen en pijntjes. Over de muziek waar hij misschien van zou gaan houden, of welke juist niet. Of hij met het verloop van de jaren op zijn vader gaat lijken of juist op zijn moeder. Uiterlijk en karakter. Ze lachten samen. Ze huilden net zo vaak. Zoveel vanzelfsprekendheden; ze werden haar allemaal afgenomen.

En nu ligt dat jongetje naast haar op het bed in hun laatste momenten samen. Zijn armpje rust op haar borst en onbegrip ligt in zijn ogen. De tekening met het rode lint, vergeten op het nachtkastje.

Ze fluistert. Ze fluistert zacht lieve woordjes die zinnen vormen zoals alleen moeders dat kunnen. Ze ruikt aan zijn blonde haartjes en snuift de geur op, zo diep als ze maar kan. Haar vermoeide armen omhelzen hem, houden hem vast en ze glimlacht dapper naar hem als hij naar haar opkijkt. 
Voor altijd veel te kort samen geweest.

woensdag 14 mei 2014

Treinreis

Terwijl de voortdurende cadans mij in slaap dreigt te sussen glijdt het landschap aan mijn centimeters dikke raam voorbij:  groene weilanden met daarin grazende koeien die traag voortbewegen, afgewisseld door vers omgeploegde akkers met aan de horizon een kerktoren, omringd door rode daken. Een industriegebied met dampende schoorstenen. Het klingelen van een spoorwegovergang dat net zo snel weg sterft, als dat het aanzwol waarna we vaart minderen om langzaam een station binnen te rollen.
Het station is in dit geval weinig meer dan een langgerekte, met grijze stoeptegels gestoffeerde verhoging met aan weerszijden ervan in kiezels verzonken spoorrails. Het één of andere onkruid lijkt moeite te doen om langs de steentjes naar de zon te groeien, zonder noemenswaardig resultaat.
Het is een troosteloze omgeving in een weinig hoop biedend dorp. Zo’n plek waar de kranten over schrijven. Het gaat dan meestal over bierketen en leegloop en meer van dat soort treurnis.

Zuchtend laat ze zich in de met blauwe kunstleer beklede stoel tegenover mij ploffen.
Ze ademt snel, hijgend eigenlijk en terwijl ze haar bruine, op wol gelijkende jas los knoopt knikt ze naar me. Bij wijze van begroeting, vermoed ik, en ik glimlach vriendelijk terug.
Op het treurige perron staan twee kinderen door wat eerst nog mijn raam was, maar dat ik nu moet delen, naar binnen te gluren. Met hun donkere huid en kroeshaar lijken ze geen directe verwantschap te hebben met de nog immer in ademnood verkerende vrouw tegenover me, maar toch lijken ze juist naar háár te zwaaien. Ze heeft het niet door, druk als ze nog steeds is met haar jas.
“Het is voor u,” zeg ik beleefd, alsof ik een telefoongesprek voor haar heb. Niet begrijpend kijkt ze me aan. Dan volgt ze mijn blik naar buiten en een nog diepere zucht ontsnapt aan haar lippen.
De kinderen, hun witte melk tandjes bloot lachend en geestdriftig zwaaiend,  verdwijnen langzaam uit ons zicht. Ze heeft kort haar hand opgestoken, zonder veel enthousiasme.

“M’n kleinkinderen.” Het klinkt vlak afgemeten en emotieloos. Ze zegt het zonder dat ik daartoe aanleiding gaf. Althans, ik was me er niet van bewust.
“Ja, geen echte hoor. Ze zijn geadopteerd. Ze konden geen kinderen krijgen.”
Een kort, binnensmonds “aha” volgt van mijn zijde.
“Het lag aan hem,” gaat ze door, “Lui zaad.” Er klinkt iets van minachting in haar stem.
“Eigenlijk is alles aan hem lui,” vertrouwt ze me toe waarmee de slechte conditie van zijn sperma is verklaard.
Ik probeer me voor te stellen hoe hun weekend is verlopen: een minachtende schoonmoeder, een luie schoonzoon en een dochter die tussen hen beide, laverend als een rank zeilschip, de lieve vrede probeert te bewaren.
Vandaag zijn ze allemaal opgelucht omdat zij weer in de trein zit die haar ver weg zal brengen.
“Ze hebben ze uit Afrika laten komen.”
“Dat vermoeden had ik al,” antwoord ik.
“Ik was het er niet mee eens hoor. Nee, je weet nooit wat voor vlees je in de kuip hebt.”
“Tja,” reageer ik en omdat ik verder niet weet wat te zeggen doe ik er het zwijgen toe.
Met gebogen vingers drukt ze haar handen tegen haar haren alsof ze iets van het uitgezakte permanent weer terug in model wil duwen. De poging mislukt.
“Als ze klein zijn, ach, dan zijn ze zo schattig, maar wát wanneer ze volwassen zijn?” en omdat ik geen idee heb wat er dan zou kunnen gebeuren probeer ik het over een andere boeg te gooien: “In welk land zijn ze geboren?” wil ik weten.
“Afrika, dat zei ik toch,” antwoordt ze bits.
Ik laat het maar zo.

vrijdag 25 april 2014

Goedemorgen

Haar beige-kleurige jas – kleurloos eigenlijk – beschermt haar tegen de frisse wind die zo laat in het voorjaar het weer van de laatste dagen bepaald.
De zoom van wat waarschijnlijk een gebloemde jurk is, piept er onderuit en ze heeft haar in bruine kousen gehulde voeten in gemakkelijke schoenen gestoken. Misschien zijn het wel de enige schoenen die ze heeft, bedenk ik me.
Als het minder hard zou waaien, zouden haar grijze haren sluik om haar verweerde gezicht vallen. Een door het leven getekend gezicht met diepe groeven rond de ogen en de naar beneden hangende mondhoeken, waarin pijn en verdriet, kortom: een moeilijk leven af te lezen is.
Ik doe mijn best om er nog iets van geluk in te ontdekken, zonder resultaat.
Ze richt zich ietsje op als ze eerst links en dan naar rechts kijkt en wanneer ze zich ervan overtuigd heeft dat het veilig is, schuifelt ze voetje voor voetje de weg op om zo snel als ze kan – en dat is tergend langzaam – de veilige overkant te bereiken.
Een aanstormende fietser heeft het gezien en ontwijkt haar behendig. De vrouw heeft  het niet eens gemerkt; onverstoorbaar vervolgt ze haar weg, zonder op of om te kijken. Zonder haar pas te versnellen of te vertragen.
Ze sleept een boodschappenkarretje achter zich aan. Zo’n chroom rekje met wieletjes en een van kunstleer gemaakte, lichtbruine tas er op waarin ze haar boodschappen voor vandaag heeft verstopt: een beetje groente voor vanavond denk ik. En een pak koffie want dat was op.
Aangekomen aan de overkant blijft het rechter wiel van haar karretje steken in de gaten van het putdeksel. Je ziet het frame met de tas erop gebonden wegzakken en iets naar rechts overhellen, maar met een kort rukje weet ze het ding los te krijgen en vervolgt ze haar weg, linksaf de stoep op.
Dan schrikt ze. Ik zie het aan de schok in haar schouders en het even schudden van haar hoofd. Ze kijkt, zoekend in de richting vanwaar dat gekke geluid kwam.
Het was iets van vroeger, iets wat ze lang niet had gehoord en ze dacht dat ze voor de gek werd gehouden, of erger nog; dat iemand kwaadwillend is. Want dat hoor en lees je toch zo vaak?
Echt, ik bezweer het je: ik zei alleen maar ‘Goedemorgen.”

vrijdag 31 januari 2014

Schrijven; je lieve lust

Nederland schijnt zo’n één miljoen schrijvers te huisvesten. Een miljoen; dat zijn er nogal wat. Het aantal zogenaamde ‘schrijvers-sites’ lijkt dan ook nog dagelijks te stijgen en zijn alom op het internet vertegenwoordigd.
Want dat is natuurlijk een prettige  - of in sommige gevallen een onprettige – bijkomstigheid; dat wanneer je jezelf een schrijver vindt je nog kunt publiceren ook en daarmee in het beste geval een -zij het vaak beperkt- lezerspubliek vindt.

Zo af en toe, waarmee ik eigenlijk een paar keer per week bedoel, kom ik op de facebookpagina van ‘schrijven on line’ Evert tegen. Evert werkt in de schoonmaak, maar lijkt daarnaast het schrijvers vak te ambiëren. Hij heeft zelfs al een boekje uitgegeven met daarin een bundeling van losse verhalen welke op humoristische wijze zijn visie op verschillende facetten van het leven weergeven. Zíjn humoristische wijze wel te verstaan, maar over smaak kan niet worden getwist. Wel over talent.
Evert is dyslectisch en afgaand op  wat ik heb gelezen dyslectisch in de hoogste categorie. Ik had moeite om door de enorme hoeveelheid taalfouten heen te lezen en raakte daardoor in het geheel de draad en daarmee de clou van het verhaal kwijt.
Mag Evert daarom niet meer schrijven?
Evert gaf echter commentaar op mensen die commentaar gaven en dat vond ik minder handig.
Een blinde man die kapper wil worden moet dat vooral doen, maar niet verbaasd zijn wanneer zijn klandizie enigszins teleurgesteld de zaak verlaat, begrijpt u?

Eerdaags volgde ik een discussie op diezelfde pagina die daar ontstond nadat iemand met de naam ‘MocroManiac1’ iets had geplaatst. Het overigens inhoudsloze stuk stond zo barstensvol spel- en stijlfouten dat menigeen het nodig vond daar iets over te zeggen en tips te geven. Het voor de hand liggende “neem eerst Nederlandse lessen” tot het advies om het in de eigen taal te schrijven om het daarna te laten vertalen kwam voorbij.
De schrijver, of schrijfster, vond het nodig om degenen die deze tips gaven fors te beledigen en zelfs te bedreigen. Een gemiste kans denk ik dan maar.

We leven in een vrij land. Dit brengt nu eenmaal met zich mee dat iedereen mag schrijven waarover hij of zij wil en het vervolgens nog mag publiceren ook. Een vrij land én publicatie brengen echter ook met zich mee dat iedereen een mening mag vormen over wat je schreef en hoe je het schreef en deze mening vervolgens ook mag publiceren. Wisselwerking pogen wij dat te noemen.
‘Ja, maar, ik schrijf voor mijzelf en niet voor anderen,” las ik ergens. Maar als je jezelf publiceert op het internet haal je deze bewering fors onderuit.
Als je dan perse wilt publiceren wees er dan op bedacht dat ook iemand anders weleens een mening zou kunnen hebben. Wanneer je bang bent voor de pijn die deze mening misschien gaat veroorzaken, schrijf dan vooral lekker voor jezelf

vrijdag 21 juni 2013

Engelen en hoeren

De zon laat na een warme dag z’n laatste stralen schijnen over de boulevard om kort daarna sissend in de  Middellandse zee te verdijnen. Tel Aviv.
Het is de eerste avond van ons eerste verlof en we verheugen ons er al een paar maanden op. In november lieten we Nederland achter ons om voor zes maanden deel uit te maken van een in de Sinaï woestijn gestationeerde vredesmacht. Arthur en ik hebben die eerste maanden ons verlof opgespaard zodat we het er de overige maanden een beetje van kunnen nemen.
Nadat we iets gegeten hebben in één van de talloze restaurants gaan we naar het “Colloseum”. 
“Het is de meest hippe tent van Israël” en “daar moet je geweest zijn” en met meer van dat soort superlatieven werd deze discotheek aangeprezen door hen die ons voor waren gegaan. Bijna mogen we niet naar binnen als Arthur tijdens het fouilleren grapt dat ´ie linksdragend is. De portier deelt onze humor niet maar na enig gesmeek en gebedel strijkt hij over zijn Joodse hart.

Het gebouw doet z´n naam eer aan: langs de ronde buitenmuur bevinden zich de bar en zijn plekken gecreëerd waar je kunt zitten aan hoge tafels met luxe barkrukken. Of, voor als je echt moe bent, je neerploft in een oversized lederen bank. De verdieping is een balkon welke de ronde buitenwand helemaal volgt en waar vanaf je uitzicht hebt op de enorme en overbevolkte dansvloer. Het is echt net een colloseum.
Maar het meest opvallend is het vrouwelijk schoon dat er in het wild rondloopt: gebruinde huid, zwarte haren, amandelvormige ogen en gekleed als meisjes van de straat: rokjes, korter dan kort met daaronder hoge laarzen met nog hogere hakken. Te korte truitjes die de strakke buikjes onbeschaamd aan de wereld tonen. Zonder uitzondering. En net als we een beetje van de verbazing zijn bekomen, voel ik een hand op mijn schouder, draai ik me om en kijk ik in het gezicht van een engel verkleed als hoer: ”You have a light for me?”, vraagt ze terwijl ik mijn knieën slap voel worden, mijn hart uit mijn borst lijkt te knallen en het voelt alsof de vlindertuin van de lokale dierentuin op excursie is in mijn maag. Ja, tot ver over mijn oren.
Ze houdt een sigaret tussen de toppen van haar vuurrood gelakte vingers en legt haar andere hand over mijn hand als ik probeer een vuurtje uit mijn aansteker te toveren. Ze blijft me aankijken terwijl ze aan haar sigaret zuigt.
Het eerste rookwolkje blaast ze in mijn gezicht: “Were are you from”, schreeuwt ze in mijn oor. 
Mijn God, wat ruikt ze lekker“Holland. I am from Holland”, zeg ik, net hard genoeg terwijl mijn neus zich in haar lange zwarte haren begraven om haar geur nog eens diep op te snuiven. Holland, ja, dat kent ze wel. Daar is het altijd koud, niet?
Ze drinkt een biertje met me mee maar de muziek blijft ons stemgeluid overstemmen waardoor praten eigenlijk onmogelijk is. Ze kijkt af en toe om zich heen en ik ben bang dat ze zich verveelt. Nogmaals probeer ik erachter te komen wat voor werk ze doet maar de dreunende muziek maakt het in het Engels verstaanbaar maken alleen maar lastiger; ik begrijp niks van wat ze zegt en betwijfel dan ook of ze mijn vraag wel goed gehoord en begrepen heeft.
“What the hell, let’s dance”, mompel ik als ik haar hand vast pak en haar min of meer mee sleur naar de dansvloer zonder dat ze overigens tegenstribbelt.
Dansen. Ik kan het niet en hou er niet van maar ik zie het vandaag als de enige kans om iets van contact met haar te hebben. En terwijl ik hoop dat mijn spastische bewegingen haar niet al te zeer zullen afschrikken klinkt als een Godsgeschenk “Nothing compare’s to you” van Sinead O’Connor; schuifelen gaat me beter af. Ze kijkt me heel even aan, alsof ze twijfelt. Maar dan slaat ze haar armen om mijn nek en legt haar hoofd op mijn borst terwijl de klanken van de muziek ons meenemen, weg van hier naar een plek waar we alleen zijn en elkaar nooit meer los hoeven te laten.


“Zie ik je morgen weer?”, vraag ik als de avond ver achter ons ligt en de ochtendzon al aandringt. Ze kust me en fluistert dat ze rond negen uur in de ‘Don Miguel’ zal zijn, een café in de buurt. Met mijn hand boven mijn ogen tegen de opkomende zon kijk ik haar na tot ze uit mijn zicht is verdwenen. 

Totaal aantal pageviews