zondag 16 augustus 2015

Flarden (9)

Deel 8 nog lezen?


Het zijn de flarden van de verhalen – verhalen die we allemaal kennen – en fragmenten van films die me in de greep houden. Ik zie haar kotsend in bed, kotsend op de bank en kotsend boven het toilet. Ik zie mezelf met latex handschoentjes aan emmers afspoelen en rood gekleurd, chemisch ruikend braaksel opdweilen, foeterend tegen de hond: “Bah, foei. Af. Af!!”
Het blijft haar bespaard. Ze is weliswaar misselijk wanneer ze die middag wakker wordt, maar ze is zelfs in staat om een heel klein beetje te eten.
Gelukkig maar; de pillen die je krijgt om misselijkheid tegen te gaan moeten – hoe logisch? -  bij de maaltijd worden ingenomen.
Bij vlagen heeft ze een hoog rode blos op de wangen die, als je niet beter zou weten, haar en gezond aanzien geven. De metaalachtige smaak in haar mond en de rode tranen die ze huilt verraden echter hoe het wél zit.

In de vroege avond van de donderdag voelt ze warm aan.
“Volgens mij heb je koorts?” vraag ik. “Of in ieder geval verhoging.”
Ze humt instemmend: “Volgens mij word ik ziek.”
We kijken elkaar aan en grinniken.
De nieuw aangeschafte thermometer – we gaan voor de nauwkeurigheid – biedt uitsluitsel: acht en dertig graden.
Volgens de instructies die we meekregen van de chemo-verpleegkundige dienen we de spoedeisende hulp te bellen wanneer de verhoging een etmaal aanhoudt en mocht de koorts door de achtendertig-half schieten, dan moeten we acuut bellen.
“Vanavond dan nog maar eens meten voor de zekerheid.” Monique is het met me eens.

Het lijkt ons, later die avond overdreven om daadwerkelijk de spoedeisende hulp te bellen wanneer de koorts de grens van net die éne, halve graad teveel passeert. Pas ergens na middernacht gaan we ons echt zorgen maken.
“Toch maar bellen dan?” Ze knikt.

Nadat ze mij kort heeft aangehoord en haar dossier geraadpleegd lijkt te hebben nodigt de vriendelijke stem mij uit om direct naar het ziekenhuis te komen.
“Nu? Het is twee uur …. Ik heb kleine kinderen op bed liggen.” Ondertussen zoek ik in gedachten koortsachtig naar een oplossing: wie kan ik bellen midden in de nacht?
“Probeert u dan met paracetamol de koorts te drukken. Als u me belooft om over ongeveer twee uurtjes nog eens te temperaturen en te bellen wanneer de koorts niet zakt.”
Dat beloof ik.

Omdat de koorts wel is gezakt, maar niet verdwijnt bellen we vrijdagmiddag opnieuw de spoedeisende hulp. Ditmaal komen we er niet onderuit.
“Neemt u een tasje mee?” vragen ze.


Doorlezen?


maandag 15 juni 2015

Flarden (8)

Deel 7


Verbazingwekkend eigenlijk, hoe snel een mens herstelt van een zware ingreep als in dit geval een borstamputatie.
Oké, de pijnstillers dragen daar zeker de eerste dagen hun steentje aan bij en we maken kennis met de oedeemtherapeut – ik wist tot voor kort niet dat die bestonden – maar afgezien van enig ongemak gaat het eigenlijk best goed.
Ze brengt de kinderen regelmatig naar school, gaat mee boodschappen doen en pakt de dagelijkse gang van zaken omtrent de webshop weer op. Ze regelt oppas voor de hond die niet mee kan naar Ameland, ons al lang geleden geplande uitstapje. Over enkele weken is het zover en we verheugen ons erop, de kinderen nog het meest. De kanker is naar de achtergrond verdreven en we leven ons leven.

“De chemo wordt gegeven om uw overlevingskans met vijftien procent te verhogen.”
De internist, een vrouw die er onsympathieker uitziet dan ze werkelijk is, dondert ons op een dinsdagochtend terug in de realiteit. Onze realiteit.
Zes kuren in totaal, telkens met een interval van drie weken. De eerste kuren minder zwaar dan de laatste drie. Ze vertelt over de bijwerkingen, maar dat er eigenlijk niets over te zeggen valt omdat ieder mens anders reageert.
“De enige zekerheid is dat u al voor het toedienen van de tweede kuur kaal zult zijn. De chemo-verpleegkundige zal u zo enkele folders meegeven met informatie over haarstukken en dergelijke.”
Waarom noemt ze het niet gewoon wat het is: een pruik.
"Oh nee," klinkt het beslist, "geen pruik," en terwijl ze uitlegt waarom ze dat absoluut niet wil, dwalen mijn gedachten af.
Dertig procent kans om dood te gaan; het zal me niet meer los laten en ik realiseer me dat de kans om samen oud te worden uiterst miniem lijkt te zijn.
Achttien weken. Thuis tekenen we met rode viltstift een cirkel rond de ‘3’ van augustus.

“Hoe vind je deze?” vraagt ze opgewekt en ze toont me een íets dat het midden houdt tussen een hoofddoek en een mutsje.
Het is de zoveelste die ze me laat zien. Wilde bloemmotieven in schreeuwende kleuren, bijpassende T-shirts en blouses. Haar lange haren krullen er nog vrolijk onderuit, maar dat zal over – pak ‘m beet – een kleine twee maanden anders zijn.
Ik vind niks mooi. Ik wil dit niet. Ik wil niet dat we samen doekjes en andere hoofddeksels uitzoeken. Ik wil niet dat ze ziek is, dat ze nog zieker wordt. Ik help haar te kiezen.

“Ik ga niet wachten tot ze uitvallen,” en ze strijkt met haar vingers door haar blonde haar dat na het laatste kappersbezoek tot in de nek gekort is.
“Dat gaat gebeuren als we op Ameland zijn. Dat zie ik niet zitten.”
Nee, dat begrijp ik wel.
“Ik droomde dat we op het strand liepen en dat een windvlaag mijn haren meenam.” Dapper lachend vervolgt ze: “Dat gaat niet gebeuren.”

Na enig zoeken is er een ader gevonden die bruikbaar lijkt te zijn en langzaam druppelt het gif haar lichaam binnen. Het gif dat ervoor moet zorgen dat eventuele resten van de kanker worden vernietigd. Het gif dat geen onderscheid maakt tussen goede en slechte cellen en alles op z’n weg kapot maakt. Het gif waar we ons voor nu maar aan vastklampen.
Wanneer het laatste zakje verschrompeld aan de infuuspaal hangt lacht ze dapper: “Zo, nu nog maar vijf.”


Doorlezen?


maandag 11 mei 2015

Flarden (7)

Vorige delen


“Als het verband er af gaat willen we graag dat jij er bij bent,” en ze richtte het woord tot mij tijdens één van de eerste gesprekken.
Ik knikte: “Natuurlijk.”
“We kunnen wel zeggen dat het meevalt, maar dat doet het niet,” vervolgde ze.
Nee, nee dat begreep ik wel. Ik had ondertussen op internet al gezocht op de term ‘borst amputatie’ en werd bedolven onder beeldmateriaal. Vervolgens zocht ik een foto met een borst die qua grootte en omvang op die van Monique leek zodat de voorstelling zo dicht mogelijk tegen de toekomstige realiteit aan zou schurken. Dan was ik tenminste voorbereid.
In de aanloop naar de operatie oefen ik bijna dagelijks. Ik bedenk wat ik ga zeggen wanneer de wond aan mij getoond gaat worden en spreek verschillende zinnen hardop uit. Niks klinkt goed en ik blijf zoeken en oefenen.
“Het valt mee.” Wel honderd keer spreek ik het hardop uit en elke keer slaat het nergens op; natuurlijk valt het niet mee.
Ik sta naast het bed en de verpleegster haalde zojuist het verband er af. Waar gisteren nog haar borst prijkte is nu een krater ontstaan, gemarkeerd door een donkerrode wond die ongeveer begint waar haar borstbeen zich bevindt en doorloopt, zover dat ik het einde niet kan waarnemen.
Ik kijk naar mezelf in de spiegel en herhaal het nog eens: “Het valt mee,” en het klinkt als een bespottelijke leugen.
Als je er maar mee om kunt gaan; haar woorden galmen keer op keer in mijn hoofd. Haar angst dat dit, haar ziek zijn en alles wat het met zich mee brengt ons einde zou kunnen betekenen. Niet omdat ze het niet zou overleven, maar omdat ik niet zou kunnen wennen aan haar verminkte lichaam.  Dat ik niet om zou willen gaan met alle beperkingen die de kanker en straks de chemo met zich mee gaan brengen.
Andersom, ha, nee, andersom zou ze zonder twijfel wel bij mij blijven en ik werd er kwaad om.
“Alsof ik een slechter mens ben dan jij,” snauwde ik haar af om direct erna mijn spijt weg te drinken met enkele teugen Westmalle Tripel.
Het had maar weinig gescheeld of haar borst had er niet af gehoeven … Ik verafschuw de gedachte en mijn spiegelbeeld sist me “egoïstische klootzak” toe.

Haar huilen knijpt mijn keel dicht.
“Wat is er?” probeer ik en ik doe mijn best zo rustig mogelijk te blijven.
Door de telefoon hoor ik haar een paar keer diep ademhalen en dan vertelt ze dat ze juist onder de douche vandaan komt. Dat leek haar lekker na twee dagen het bed te hebben gehouden, even douchen.
De spiegel met een oppervlakte van twee vierkante meter loog niet en was confronterend geweest: “Oh, het is zo lelijk. Het is zo afschuwelijk lelijk.”
“Waarom heb je niet gewacht? We zouden dit samen doen.” Ik wil haar vast houden en zeggen dat het mee valt en me ergeren aan haar ongeduld.
Halsoverkop vertrek ik, vind op dit tijdstip eenvoudig een plek voor de auto en begroet haar zo luchtig mogelijk en met een droge mond.
Met koffie en kletspraat proberen we het moment uit te stellen maar op precies het afgesproken tijdstip komt Marjan de kamer op; of we er klaar voor zijn.
“Ja hoor,” zeg ik zonder twijfel in mijn stem en met een hart dat in mijn slapen bonkt.
Als na enig gepeuter alle pleisters zijn verwijderd belanden wij in wat wellicht één van ons meest oprechte momenten is en kan ik door mijn tranen heen alleen maar stamelen.
“Ik vind het zo erg voor je …”

Deel 8

woensdag 6 mei 2015

Flarden (6)

Eerst het vorige deel lezen?


De fles waarvan ik zojuist de inhoud leegde in mijn keel gooi ik weg. Dat drink ik de laatste weken vaker dan gewoonlijk; iets met alcohol. Het vergemakkelijkt het slapen.
Ik luister naar haar ademhaling wanneer ik naast haar lig, de dekens en de stilte van de nacht  over ons heen. De twijfel heeft het overgenomen van de euforie.
“Ik hou van je,” fluisterde ik zojuist zoals ik dat elke avond doe voordat ik ga slapen.
En nu? Vraag ik me af. Moet ik nu een soort van afscheid nemen van haar borst? Mág dat; deze nog een laatste keer strelen en kussen? Maak ik niet juist daardoor de hele situatie te beladen? 
Ooit hoorde ik iemand, een vrouw, zich afvragen waarom mannen toch zo geobsedeerd zijn door borsten. Het waren in haar ogen niet meer dan twee klompen vet met een tepel er op.
Daar denk ik aan, die avond van de dag er voor.
Ze is toch meer, zoveel meer dan alleen maar die ene borst? En vertwijfeld volg ik Monique in haar slaap waar we ieder alleen zijn met onze eigen angsten en dromen en twijfels.

Die ochtend blijven de jongens allebei thuis van school. We hoeven pas om elf uur in het ziekenhuis te zijn en met name Kaj heeft nogal tegen deze dag opgekeken. Bovendien wil Monique ze nog graag even om zich heen hebben deze ochtend en momenteel laat ik vooral dat laatste – wat Monique wil – ons leven bepalen, zonder me af te vragen of ik daar juist aan doe. Zonder te twijfelen. Is er een goed of fout?
“Niek?”
Behalve het kletterende water van de warme douche blijft het stil. Nog eens, maar nu iets luider: “Niek!?”
Instinctief weet ik dat ze huilt. Ik trek mijn kleren uit, til het douchegordijn opzij en zie aan haar iets gekromde rug en het voorover geknikte hoofd dat mijn gevoel klopte. Ik ga achter haar staan waarna ze zich langzaam omdraait.
Haar armen, zojuist nog gekruist voor de borst, strekt ze hopeloos bijna naar me uit om me vast te pakken. Dan heft ze haar hoofd op en kijkt ze naar me.
Ze doet zo haar best om dapper te zijn. Ze ís dapper. Het lukt nu even niet.
Handenwrijvend laat ze de zeep schuimen om deze daarna te verdelen. Eerst op haar armen en haar schouders, daarna over haar buik en haar benen. De plekjes van haar rug waar ze net wél bij kan. Haar gezicht vertrekt wanneer haar handen met gekromde vingers, als kommetjes op ongeveer tien centimeter afstand van haar borsten in de lucht blijven zweven.
“Ik kan het niet,” snikt ze, “ik kan … ik durf ze niet meer aan te raken…”
In haar ogen de wanhoop en het verdriet, alsof alles van de achter ons liggende veertien dagen nu een weg naar buiten zoekt. Ze rilt ondanks het warme water en ze huilt. Ze huilt hartverscheurend zacht.
“Oh God, het gaat niet.”
“We doen het samen,” hoor ik mezelf zeggen en ik leg mijn handen zacht op die van haar, maar ze trekt haar handen weg.
“Ik kan het niet. Het kan niet.”

Ze omhelst me en ik was haar borsten terwijl met het warme douchewater onze tranen weg worden gespoeld.


Deel 7

vrijdag 1 mei 2015

Flarden (5)

Eerst vorige deel lezen?

Het huis ruikt naar de steunbetuigingen die in de vorm van een bos bloemen soms per twee worden bezorgd. Het is hartverwarmend hoeveel mensen er met ons meeleven in deze voor ons zulke bange dagen: kaarten met hartverwarmende teksten die ons dikwijls tot tranen roeren. Berichtjes op de telefoon. Familie, collega’s, vrienden en kennissen die minder vaag lijken te worden.

We rollen zonder het bijpassende gevoel het weekend in en zaterdag rond het einde van de ochtend staan onaangekondigd Monique’s broer met vrouw en dochters op de stoep. Die middag wordt er gedronken en gelachen. Hun komst blijkt onze zaterdag te redden.
Wanneer ik de zondag er na wakker wordt voelt mijn kussen vochtig en langzaam, alsof er door de mist iets op je afkomt, realiseer ik me dat ik over haar begrafenis droomde. Ik trek de dekens over me heen en heb het gevoel dat ik langzaam gek wordt.

Die dag wil ze de stad in; kleren kopen voor de jongens vanwege het naderende voorjaar.
“Zou je dat nu wel doen?” probeer ik nog, maar ze wuift me weg: “Nu kan het nog. We weten niet wat ons nog te wachten staat,” vindt ze en ik kan niet anders dan haar gelijk geven.
Ze vertrekt met mam en de jongens; ik blijf thuis omdat er nog zoveel werk te doen is. Uiteindelijk is de hond die middag toch zeker een keer of zes uit geweest.

Maandagmorgen. We gaan van de nucleaire geneeskunde, waar ze de botscan maken, naar de röntgen voor een foto van de longen en een scan van de lever. De klok tikt tergend traag de tijd weg, maar het gaat me niet langzaam genoeg. Het liefst zou ik de tijd nu stil zetten.  Zwijgend wandelen we van de ene onderzoeksruimte naar de andere. Kleren uit, kleren aan. Een bemoedigende glimlach als ze de deur opent en me ziet zitten. Een knipoog. Een kus.
“Gaat het?”
“Hm hm.”
“Stoere.”
“Als deze uitslagen niet goed zijn wil ik morgen niet geopereerd worden.” Ze klinkt vastberaden.
“Dat snap ik. Waarom zou je je die ellende dan nog op de hals halen? We weten dat we daar geen tijd mee kopen, mocht het niet goed zijn.”
“Dus dan bellen we het gewoon af morgen?”
“Tja … ja, lijkt me wel. Uiteindelijk bepaal jij wat er gebeurt.”
“Wij,” verbetert ze me. “Wij.”

Om twee uur die middag verlaten we het ziekenhuis en kan het wachten beginnen. We beseffen ons meer dan ooit dat we binnen nu en een paar uur duidelijkheid krijgen over hoe ons leven er uit gaat zien. Wellicht duidelijkheid over hoe lang ‘ons’ überhaupt nog duurt.
Het telefoontje komt eerder, veel eerder dan verwacht.
“Is Ieko ook thuis?” is het eerste wat Marjan vraagt.
Monique kijkt me aan. Angstig.
“Ja.”
“Ik heb nu eindelijk eens goed nieuws,” en van de ene seconde op de andere is de voor morgen geplande operatie, die vorige week nog zo’n klap in ons gezicht was, nu zo enorm welkom.


Deel 6


dinsdag 28 april 2015

Flarden (4)

Vorige delen gemist?


Aan het ontbijt keuvelen de kinderen zoals ze dat altijd doen: Kaj die rustig op gang moet komen en Jens die honderd procent alert is vanaf het moment dat de oogjes open gaan. Oma - die na de onheilstijding direct de trein heeft genomen en in ieder geval blijft tot na de operatie - glimlacht genoegzaam; haar jongens.
Gelukkig worden we al vroeg in het ziekenhuis verwacht en hoeven we niet een lange dag er tegen aan te hikken. Wanneer we vertrekken ligt mijn boterham belegd met mijn favoriete kaas nog onaangeraakt op mijn ontbijtbord.

In de auto is het stil. De radio staat op standje ‘heel zacht’ en het monotone gezoem van de banden overstemt alles.
Waar ik stil voor me uitkijk en de neiging om de auto om te keren moet onderdrukken, kijkt Monique zwijgend opzij, naar buiten. Ze lijkt zo eenzaam en zo kwetsbaar nu.
Eigenlijk wil ik stoppen. Gewoon de auto op de vluchtstrook zetten en haar vasthouden. Haar vertellen hoeveel ik van haar hou en dat het allemaal wel goed gaat komen, maar over dat laatste ben ik zelf niet zo heel erg zeker meer en omdat we om negen uur in het ziekenhuis moeten zijn doe ik niet wat ik eigenlijk zou willen doen.
Ze legt haar hand op die van mij die op de versnellingspook rust en draait haar hoofd om me aan te kunnen kijken.
“Weet je?” vraagt ze, “Als we dan tenminste nog maar een jaar of acht krijgen”.

Marjan lacht deze keer niet wanneer ze ons ophaalt uit de wachtruimte. Haar blik is deze ochtend voldoende om me kippenvel en een dichtgeknepen strot te bezorgen.
De kanker blijkt tegen de verwachtingen in ook al in okselklieren aanwezig te zijn waarmee ze bevestigd wat we eigenlijk sinds het telefoontje van gisteren al wisten.
Tissues worden over de tafel aangereikt en iets te drinken wordt aangeboden. We schudden allebei ons hoofd en houden elkaar vast.
“Heb ik zes miskramen gehad om nu mijn kinderen niet te zien opgroeien?”
De wanhoop en het verdriet zijn tastbaar en liggen als een loden deken op onze schouders terwijl het voelt alsof ons leven als fijn zand tussen mijn vingers door glipt. Ongegeneerd huilend houd ik haar vast en ik voel haar tranen in mijn hals.
Elke zekerheid die we hadden, de beloftes aan elkaar om samen oud te worden. Toen we trouwden, nu zo’n vier jaren geleden, zei ik dat ik alles zou willen opgeven voor één dag extra met haar. 
De jongens …. Hoe moet het met de jongens? Ze zijn veel te jong. Het is niet eerlijk. Kinderen horen dit niet mee te maken. Ze horen een onbezorgde jeugd te hebben waarin geen plaats is voor ziekte en dood. Dood … en ik doe mijn best om het woord 'dood' uit mijn gedachten te bannen.

Er worden afspraken gemaakt: aanstaande maandag moeten we terug komen en gaan ze een scan van Monique’s botten maken, een echo van haar lever en een foto van de longen. Ze gaan op zoek naar uitzaaiingen, besef ik me en ik doe mijn best om niet te kotsen.

Volgende deel lezen?

zondag 26 april 2015

Flarden (3)

Eerst het vorige deel nog lezen?


“Hebben jullie nog ergens hulp bij nodig? Misschien bij uitleggen aan de kinderen?”
Het is tijdens het eerste gesprek al dat Marjan, zoals de vriendelijke glimlach inmiddels is gaan heten, dit aan ons vraagt.
We kijken elkaar aan: “Nee hè?” vraagt Monique en ik schud mijn hoofd: “Nee, dat kunnen we zelf wel en verder …. zou nog even niet weten waarmee.”
Ze wijst ons op een aantal kinderboeken, geschreven voor kinderen in verschillende leeftijdsgroepen: “Kijk maar eens. Misschien hebben jullie er iets aan.”
Wanneer we eenmaal, door Marjan overgehaald, door een aantal boeken bladeren is het Monique die er eentje vindt die haar toch wel handig lijkt voor Kaj. ‘Gewoon pech als je moeder borstkanker heeft’ heet het en ik vind het nog te confronterend; niet voor hem, maar voor mezelf.
“Laten we die maar bestellen vanmiddag, bij de boekhandel,” besluit Monique. “En Jens?”
“Hm,” denk ik hardop, “die is denk ik nog te jong? Geloof niet dat hij er iets van meekrijgt?”
’s Middags gaat ze zelf naar de boekhandel om onze keuze te bestellen.
De volgende ochtend ben ik al beneden wanneer Monique de trap afstommelt, Jens voorop. Wanneer hij op zijn tenen staat kan hij net de trapleuning vast houden en zo klimt hij, half hangend aan de leuning, voetje voor voetje naar beneden. Zijn stemmetje klinkt opgewekt als hij op de melodie van een bekend kinderliedje zingt: “Borstkanker, borstkanker, borstkanker is niet leuk” en nog diezelfde ochtend bestellen we ook voor de jongste spruit een boekje.

Door een ietwat knorrige radioloog worden we op de dinsdag ontvangen voor de punctie: “Het heeft mijns inziens niet zoveel nut; lymfeklieren zijn nu eenmaal niet allemaal even groot,” legt hij uit. “Bovendien, ik kan niet elke klier bereiken dus is het maar de vraag of ik wel een hapje kan nemen uit juist díe klier die we gezien hebben op de scan.”
Een twintig centimeter lange naald verdwijnt in het vlees onder Monique d’r armen en ondanks de verdoving hoor ik aan de gesmoorde geluiden die ze maakt dat het pijn doet. Het blijkt inderdaad lastig om de juiste lymfe te bereiken. Roerend met de naald in haar oksel gaat de inmiddels bezorgde radioloog op zoek.
Het onbeheerst schudden van haar benen verteld me hoe zwaar en moeilijk ze het nu heeft en weer voel ik tranen branden. Mietje, foeter ik in mezelf. Zo heeft ze niks aan je.

Het lange wachten kan beginnen; maandag lijkt nog ver weg.
“Blijf van het positieve uitgaan,” horen we telkens om ons heen, maar dat wordt met de opeenstapeling van slechte uitslagen telkens lastiger.
“De eerste die dat nu nog zegt, sla ik op z’n bek,” beloof ik als we het ziekenhuis verlaten. Monique glimlacht en knijpt in mijn hand.

Die donderdag ben ik voor mijn werk in Zwolle wanneer rond de klok van vier uur Monique me belt. Tranen.
“Marjan heeft gebeld. We moeten morgen al komen,” snikt ze.
“Verder niks?”
“Nee. Alleen dat we morgen al moeten komen voor de uitslag.”
Het voelt letterlijk alsof de wereld onder me vandaan glijdt terwijl de metaalachtige smaak van angst mijn mond vult.

Volgende deel lezen?

vrijdag 24 april 2015

Flarden (2)

Het zelfde kantoor. Dezelfde glimlach. Het is de maandag na de MRI scan, één dag voor de operatie.
“We zijn toch wel geschrokken van wat de scan ons heeft laten zien.” De stilte die volgt lijkt minuten te duren. Misschien moeten wij nu iets zeggen, vraag ik me af, maar wat dan?
Wijzer geworden van de vorige keer dat we aan dit bureau zaten hebben we nu bij voorbaat al elkaars hand vast.
“De tumor is zo’n zeven en een halve centimeter. Het is onmogelijk uw borst te sparen.”
Mijn maag begint nu heftig te protesteren en lijkt zich om te draaien terwijl Monique zachtjes snikt. Tranen vloeien over haar wangen als me aankijkt.
Ik ben een borstenman; natuurlijk weet ze dat. Ooit, toen alles nog onbezorgd en zonnig was kwam dit onderwerp eens ter sprake. Ik geloof dat het was nadat we de film ‘Komt een vrouw bij de dokter” hadden gezien.
“Ik weet niet of ik daar mee om zou kunnen gaan,” schijn ik toen gezegd te hebben. Ik kan het me niet precies meer herinneren, maar het geheugen van Monique werkt als een goed geordende dossierkast.
“We hebben ook een vergrote lymfeklier gezien in de oksel, maar die vertoonde geen kwaadaardige symptomen.”
Gelukkig. Met een woest gebaar veeg ik een vuist door mijn ogen.
“Wel willen we voor de zekerheid nog een punctie nemen van die lymfeklier: dat kan morgen al.”
Ja, natuurlijk is dat goed.
“En dan vrijdag terug voor de uitslag. Of nee, wacht … doe maar maandag: meestal hebben we van die afdeling de uitslagen zo snel nog niet terug. Maandag dus,” en ze kijkt ons vragend aan. We knikken allebei.
De voor morgen geplande operatie gaat dan ook niet door; het verschil tussen en borstbesparende ingreep en een amputatie is niet alleen emotioneel, maar ook technisch te groot. Bovendien wil men nu eerst de uitslag van de punctie afwachten. Er wordt een nieuwe datum afgesproken; de dinsdag nadat we de uitslag van de punctie gaan krijgen.

“Ik heb altijd gezegd dat wanneer ik voor de keus kom te staan ik niet zou hoeven na denken.”
Het is Monique die de stilte verbreekt. “Maar nu … ik weet dat ik geen keus heb, maar … oh God, wat is dit moeilijk …”
Wat zeg je tegen je vrouw wanneer ze zojuist te horen heeft gekregen dat de kanker al zover is uitgewoekerd dat haar linkerborst geamputeerd moet worden om haar leven te redden? Welke woorden van troost kun je nog verzinnen die het vooruitzicht op de ziekmakende chemo iets verzachten?
Ik hou haar machteloos in mijn armen. Minuten lang.

Totaal aantal pageviews